Salt 3344506 1920
26 april 2018

Transitievergoeding en AOW’ers

Op 20 april 2018 heeft de Hoge Raad zich uitgesproken of het uitsluiten van AOW’ers van het recht op de wettelijke transitievergoeding een verboden onderscheid op grond van leeftijd is. Dit blijkt niet het geval te zijn.

Eindigen arbeidsovereenkomst AOW-leeftijd

In de arbeidsovereenkomst van de werknemer is bepaald dat de arbeidsovereenkomst eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de werknemer de AOW-leeftijd bereikt. De arbeidsovereenkomst van de werknemer is per 14 november 2016 geëindigd in verband met het bereiken van de voor hem geldende AOW-leeftijd. Werknemer verzoekt de werkgever om een transitievergoeding aan hem uit te betalen. Volgens de werknemers wordt in de wet verboden onderscheid naar leeftijd gemaakt, door de uitbetaling van een transitievergoeding aan werknemers die de AOW-leeftijd hebben bereikt uit te sluiten. De rechter heeft voordat hij een uitspraak doet, de Hoge Raad gevraagd of sprake is van een verboden onderscheid naar leeftijd.

Wel of niet aangewezen op inkomen uit arbeid bepalend

Bij beantwoording van de vraag of de uitsluiting van een transitievergoeding voor werknemers die bij het beëindigen van de arbeidsovereenkomst de AOW-leeftijd hebben bereikt wordt gerechtvaardigd, zijn de achtergronden en doelstellingen van zowel de transitievergoeding als de uitsluiting van de AOW’ers van belang. Afgeleid kan worden dat de transitievergoeding alleen is bedoeld voor die werknemers die zijn aangewezen op het verrichten van arbeid om in hun levensonderhoud te voorzien. De transitievergoeding compenseert in zekere mate het wegvallen van het voor zijn levensonderhoud benodigde inkomen uit arbeid. De werknemer die de AOW-leeftijd heeft bereikt is (in beginsel) niet langer voor het voorzien in zijn inkomen aangewezen op het verrichten van arbeid. Ter compensatie van het wegvallen van zijn inkomen uit arbeid kan de werknemer (in het algemeen) aanspraak maken op een AOW-uitkering, die in voorkomend geval wordt aangevuld met een in dienstverband opgebouwde pensioenuitkering.

Werkgever heeft geen invloed op hoogte AOW

Van belang acht de Hoge Raad daarbij dat de aanspraak en de hoogte van de AOW-uitkering geen verband houden met het verricht hebben van arbeid (al dan niet in dienstverband). Werknemers die geen volledige AOW-uitkering hebben opgebouwd kunnen, onder voorwaarden, een beroep doen op de aanvullende inkomensvoorziening ouderen. Bovendien heeft de wetgever bij de uitsluiting van het recht op transitievergoeding voor AOW’ers rekening gehouden met het feit dat een werkgever geen invloed heeft gehad op situaties waarin sprake is van onvolledige opbouw van een AOW-uitkering. De werkgever kan daar (financieel) ook niet mee belast worden. Tevens heeft de Hoge Raad opgemerkt dat een werkgever niet hoeft te beoordelen of in individuele gevallen sprake is van een situatie dat de werknemer alsnog aangewezen blijft op inkomen uit arbeid of niet.

Kortom, indien de arbeidsovereenkomst eindigt in verband met het bereiken van de voor hem/haar geldende AOW-leeftijd, dan bent u als werkgever in geen geval verplicht tot betaling van de transitievergoeding aan deze werknemer. Ongeacht of deze werknemer aangewezen is op het verrichten van arbeid om in zijn of haar levensonderhoud te voorzien. Heeft u na het lezen van dit artikel nog vragen? Neem dan contact op met Martijn Moonen of Megin van Kempen. Zij helpen u graag verder!