583227 49391169
11 januari 2018

Varia loon- en premieheffingen

De brutobedragen van het volwassenminimumloon en het minimumjeugdloon worden telkens op 1 januari en op 1 juli aangepast aan de gemiddelde contractloonontwikkeling in Nederland. 

5.1. Minimumloon iets omhoog per 1 januari 2018

De brutobedragen van het wettelijk minimumloon en het minimumjeugdloon per 1 januari 2018 zijn bekend. Deze bedragen worden halfjaarlijks aangepast. Er is een lichte stijging ten opzichte van 1 juli 2017. 

De brutobedragen van het volwassenminimumloon en het minimumjeugdloon worden telkens op 1 januari en op 1 juli aangepast aan de gemiddelde contractloonontwikkeling in Nederland. Per 1 januari 2018 is het brutominimumloon voor werknemers van 22 jaar en ouder bij een volledig dienstverband, als volgt:

  • € 1.578,00 per maand (juli 2017: € 1.565,40)
  • € 364,15 per week (juli 2017: € 361,25)
  • € 72,83 per dag (juli 2017: € 72,25)
Let op! De leeftijdsgrens van het volwassenminimumloon is per 1 juli 2017 verlaagd van 23 naar 22 jaar.

Ook de minimumjeugdlonen voor 15- t/m 21-jarige werknemers gaan weer iets omhoog. Zo stijgt het loon van een 21-jarige per 1 januari 2018 van € 1.330,60 naar € 1.341,30 per maand en van een 18-jarige van € 743,55 naar € 749,55 per maand.

Let op! Voor werknemers van 18 tot en met 20 jaar die in dienst zijn in het kader van een beroepsbegeleidende leerweg (bbl) gelden alternatieve staffels. Zo bedraagt per 1 januari 2018 het minimumjeugdloon voor een 18-jarige leerling in de bbl € 718,00 per maand.

Verplichtingen

Het wettelijk minimumloon geldt als minimumbeloning voor uw werknemers. Zorg ervoor dat uw werknemers niet worden onderbetaald. U riskeert anders forse boetes. Sinds 1 januari 2016 geldt een verplichte girale uitbetaling van ten minste het netto wettelijk minimumloon. Ook moet u het geldende minimumloon altijd verplicht vermelden op de loonstrook. Tot slot mag u sinds 1 januari 2017 geen bedragen meer inhouden op of verrekenen met het minimumloon. Dit inhoudingsverbod geldt onder meer niet voor wettelijke inhoudingen, huisvestingskosten en de kosten voor een zorgverzekering. Onder voorwaarden en met de nodige begrenzingen mag u dergelijke kosten nog wel inhouden op het minimumloon.

5.2 Gebruikelijk loon dga

Het vaste bedrag in de gebruikelijkloonregeling voor de dga en zijn partner, bedraagt voor 2018 (net als in 2017) € 45.000. Dga’s kunnen het gebruikelijk loon in 2018 onder voorwaarden lager vaststellen dan € 45.000. Er geldt namelijk een tegenbewijsregeling voor de hoofdregel dat het loon van een dga het hoogste van de volgende bedragen bedraagt:

  • 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking; 
  • het hoogste loon van de overige werknemers van de bv of daarmee verbonden vennootschappen (lichamen);
  • € 45.000. 
Let op! Om het loon lager dan € 45.000 vast te stellen, moet u aannemelijk maken dat het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager is dan € 45.000. Lukt dat niet dan bedraagt het gebruikelijk loon  minimaal € 45.000.

5.3 Gebruikelijk loon voor innovatieve startups

Wordt uw bv voor toepassing van de S&O-afdrachtvermindering als starter aangemerkt? U mag uw gebruikelijk loon dan vaststellen op het wettelijk minimumloon. U kunt deze startupregeling maximaal drie jaar toepassen.

5.4 Lage sectorpremie bij overeenkomst onbepaalde tijd en jaarurennorm

Met ingang van 1 januari 2018 is per besluit geregeld dat een werkgever de lage sectorpremie betaalt over het loon van een werknemer indien sprake is van:

  • een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, en
  • de omvang van de arbeid voor het jaar vooraf is bepaald (jaarurennorm), en
  • in het contract bepaald is dat het recht op loon gedurende het jaar regelmatig verspreid is. 

De werkzaamheden hoeven derhalve niet gelijkmatig verspreid over het jaar verricht te worden.

Let op! Een contract voor bepaalde tijd met een jaarurennorm voldoet dus niet aan de voorwaarden.
Let op! Indien gedurende het jaar sprake is van onbetaald verlof wordt niet meer aan de voorwaarden voldaan. Dit betekent dat de hoge sectorpremie toegepast dient te worden. 

In hetzelfde besluit is nogmaals benadrukt dat de omvang van de te verrichten arbeid eenduidig moet zijn vastgelegd. Een nulurencontract voldoet derhalve niet. In het besluit wordt ook aangegeven dat bij een min-maxcontract de hoge premie verschuldigd is. Op dit moment is onduidelijk of deze opmerking alleen van invloed is op de periode na 1 januari 2018.

5.5 Pseudo-eindheffing en optierechten

Wanneer sprake is van een excessieve vertrekvergoeding aan een werknemer, wordt de werkgever geconfronteerd met een pseudo-eindheffing van 75% van de vertrekvergoeding. Of sprake is van een excessieve vertrekvergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het toetsloon. Als het toetsloon meer dan € 540.000 is en als de vertrekvergoeding hoger is dan € 540.000 en hoger dan het toetsloon, dan is de regeling van toepassing. 

Bepaalde aandelenoptierechten die zijn verkregen in het kalenderjaar vóórdat de werknemer uit dienst ging, tellen vanwege een uitzonderingsregel niet mee bij het bepalen van het bedrag van de vertrekvergoeding. 

De Hoge Raad heeft in 2016 bepaald dat de uitzondering ook geldt voor aandelenoptierechten die nog niet onvoorwaardelijk waren vóór het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking met de werknemer is beëindigd. De pseudo-eindheffing over de excessieve vertrekvergoeding kan dus worden voorkomen door te werken met voorwaardelijke optierechten. 

Een wijziging in de Wet op de loonbelasting zorgt er nu voor dat voorwaardelijke aandelenoptierechten, die aan een werknemer zijn toegekend vóór het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin hij uit dienst gaat en die onvoorwaardelijk zijn geworden in het jaar voor uitdiensttreding, toch meetellen voor de pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoedingen. Op deze manier kan geen gebruik meer worden gemaakt van de uitspraak van de Hoge Raad.

5.6 Beperking toepassing heffingskortingen buitenlandse belastingplichtigen

Buitenlandse belastingplichtigen hebben, onder voorwaarden, recht op dezelfde voordelen als een binnenlandse belastingplichtige als het gaat om het belastingdeel van de heffingskorting. De buitenlandse belastingplichtige moet wel in een EU- of EER-lidstaat wonen en het inkomen moet voor ten minste 90% aan de loon- of inkomstenbelasting in Nederland onderworpen zijn. 

Indien buitenlandse belastingplichtigen niet aan het inkomenscriterium voldoen, hadden zij wel recht op het belastingdeel van de arbeidsgerelateerde heffingskorting. Niet-kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen hadden in de inkomstenbelasting geen recht op het belastingdeel van de heffingskorting. In de loonbelasting werd dit onderscheid niet gemaakt, waardoor te veel heffingskorting werd geclaimd. 

Daarom mag u vanaf 2019 in de loonbelasting voor alle buitenlandse belastingplichtigen (zowel kwalificerend als niet-kwalificerend) alleen nog maar het belastingdeel van de arbeidsgerelateerde korting (onder meer arbeidskorting) in aanmerking nemen. Is uw werknemer een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige, dan kan hij via de inkomstenbelasting het belastingdeel van de algemene heffingskorting, jonggehandicaptenkorting, ouderenkorting en alleenstaande-ouderenkorting geldend maken.

5.7 Premies WGA en ZW 2018 bekend

Bent u verzekerd voor de werkgeversverzekeringen WGA en ZW bij UWV? In 2018 nemen de gemiddelde premies voor deze arbeidsongeschiktheids- en ziektewetverzekeringen licht toe.

Premies WGA en ZW

Het UWV heeft onlangs de gedifferentieerde premies WGA en ZW (Werkhervattingskas) voor 2018 bekendgemaakt. Hieruit blijkt een lichte stijging van beide premies. De gemiddelde WGA-premie stijgt van 0,74% in 2017 naar 0,75% in 2018. De gemiddelde premie die een werkgever aan het UWV afdraagt voor de Ziektewet stijgt in 2018 naar 0,41% (2017: 0,35%).

De premie hangt in veel gevallen af van de sector waarin u als werkgever actief bent en de gemiddelde loonsom. Met een speciale rekenhulp kunt u berekenen hoeveel u aan premie kwijt bent in 2018.

Let op! De rekenhulp is niet bestemd voor de eigenrisicodrager, want die betaalt geen gedifferentieerde premie Werkhervattingskas.

Eind 2017 heeft u van de Belastingdienst een beschikking met de individueel gedifferentieerde premies WGA en ZW 2018 ontvangen.

Controleer of de gegevens op de beschikking juist zijn en maak indien nodig tijdig bezwaar. Een bezwaar is tijdig ingediend als deze uiterlijk 6 weken na dagtekening van de beschikking ontvangen is bij de Belastingdienst. Vraag bij de Belastingdienst de instroomlijsten op van de uitkeringen van de werknemers die ik het kader van de beschikking Whk aan u zijn toegerekend. U kunt dan controleren of de uitkeringen van deze werknemers al dan niet terecht aan u zijn toegerekend.

5.8 Extra administratie bij verlenging WW-uitkering

Sinds kort kunnen partijen bij het afsluiten van hun cao kiezen voor een private verlenging van de uitkering bij werkloosheid voor het derde jaar WW. De keuze van de onderhandelingspartijen betekent wel extra administratieve werkzaamheden voor de werkgever. 

Aparte aangifte

De inhouding van de premie vindt plaats op het brutoloon van de werknemer. De inhouding moet ook op de salarisspecificatie vermeld staan. Bovendien moet apart aangifte worden gedaan bij de uitvoeringsorganisatie PAWW en moeten de premies apart worden afgedragen.

Aanvulling

Door de aanvulling kan een maximale WW-periode bereikt worden van 38 maanden. 

Wat bij werkloosheid?

De Stichting PAWW zorgt dat de werknemer, indien hij hier volgens zijn cao recht op heeft, na het verstrijken van de WW een aanvullende private WW-uitkering PAWW krijgt.

Aangifte en afdracht

De werkgever moet op basis van de berekeningen in zijn salarisadministratie maandelijks of iedere vier weken aangifte doen van de PAWW-bijdrage en de afdracht van de premie. De periodiciteit van de aangifte PAWW-bijdrage is dezelfde als die van de Belastingdienst. 

Let op! De aangifte moet u indienen via de site www.spaww.nl. Daar dienen de gegevens door de werkgever overgenomen te worden van de totalen die op het overzicht van de salarisadministratie zijn vermeld.

Aanpassen administratie

De administratie van de werkgever zal mogelijk moeten worden aangepast, zodat de werkgever de juiste informatie kan verstrekken voor de inning en afdracht van de premie. De uitvoeringsorganisatie van de Stichting PAWW kan helpen bij de inrichting van de salaris- en financiële administratie. Het aanbieden van de rekenregels aan ontwikkelaars van salarissoftware vormt daarvoor de eerste stap.

5.9 Extra overstapmogelijkheid eigenrisicodragerschap WGA

Had u eigenrisicodrager voor de WGA willen blijven, maar is tegen uw wens en buiten uw toedoen om het eigenrisicodragerschap toch per 1 januari 2017 beëindigd? Het kabinet komt u tegemoet met een reparatieregeling. U krijgt de kans om op 1 juli 2018 weer over te stappen van de publieke verzekering naar het eigenrisicodragerschap voor de WGA. 

Eigenrisicodragerschap WGA

Met ingang van 1 januari 2017 ziet het eigen risico op de totale WGA-lasten (dus zowel voor vast personeel als voor flexwerkers). Door die verandering moesten bestaande eigenrisicodragers voor de WGA, die dit ook in 2017 wensten te blijven, een nieuwe garantieverklaring overleggen van de bank of verzekeraar. Die garantie moest uiterlijk op 31 december 2016 bij de Belastingdienst binnen zijn. Nu is dat proces niet vlekkeloos verlopen. In een aantal gevallen hebben verzekeraars per abuis geen of te laat een nieuwe garantie aan de Belastingdienst verstrekt. Hierdoor kan het zijn dat u, net als enkele andere werkgevers, per 1 januari 2017 ongewild weer de publieke verzekering van UWV bent ingestroomd.

Reparatieregeling

Net als bij iedere overstap, was u gehouden aan een minimale terugkeerperiode van drie jaar. Pas daarna is het eigenrisicodragerschap weer mogelijk. Dat is niet redelijk als u wel op tijd heeft aangegeven dat u per 1 januari 2017 eigenrisicodrager voor de WGA had willen blijven, maar de Belastingdienst buiten uw toedoen om de garantieverklaring hiervoor niet (tijdig) heeft ontvangen. Daarom kunt u gebruikmaken van een reparatieregeling, waardoor u al eerder, namelijk op 1 juli 2018, kunt overstappen naar het eigenrisicodragerschap voor de WGA. U moet dan wel uiterlijk 13 weken vóór 1 juli 2018 uw aanvraag voor het eigenrisicodragerschap hebben ingediend bij de Belastingdienst.

Om gebruik te kunnen maken van de reparatieregeling, gelden de volgende voorwaarden:

  • u was op 31 december 2016 eigenrisicodrager WGA, en
  • u kunt aantonen dat u in 2016 tijdig bij uw verzekeraar, bank of intermediair heeft aangegeven dat u per 1 januari 2017 eigenrisicodrager wil blijven, en
  • het is niet aan u te wijten dat de garantie om eigenrisicodrager WGA te kunnen blijven in 2017 niet uiterlijk op 31 december 2016 aan de Belastingdienst is verstrekt.
Let op! Verzekeraars gaan een lijst opstellen van werkgevers die ‘tijdig’ hebben aangegeven per 1 januari 2017 eigenrisicodrager voor het gehele WGA-risico te willen blijven. De Belastingdienst kan deze lijst controleren en hanteren om werkgevers toe te staan per 1 juli 2018 weer eigenrisicodrager te worden.

5.10 Langere termijn ziekteaangifte eigenrisicodragers

De termijnen voor het doen van ziekteaangifte en herstelmeldingen aan het UWV door werkgevers die eigenrisicodrager zijn voor de Ziektewet, zijn per 1 januari 2018 verruimd. 

Bent u eigenrisicodrager voor de Ziektewet, dan golden voor u dezelfde termijnen voor het doen van ziekteaangifte en herstelmeldingen als voor werkgevers die geen eigenrisicodrager zijn. Die termijnen zijn vrij kort, omdat het UWV naar aanleiding van een melding een Ziektewetuitkering moet gaan uitkeren. Als eigenrisicodrager bent u echter zelf verantwoordelijk voor het uitkeren van een Ziektewetuitkering en stelt u zelf het recht, de hoogte en de duur daarvan vast. Het UWV heeft dus bij eigenrisicodragende werkgevers een veel beperktere rol dan bij niet-eigenrisicodragende werkgevers.

Let op! Bij werkgevers die eigenrisicodrager zijn, heeft het UWV een meer controlerende rol, aangezien de instantie wel eindverantwoordelijk is voor de uitvoering van de Ziektewet. Als de eigenrisicodrager zijn rol niet of niet goed heeft vervuld, neemt het UWV de verstrekking van de Ziektewetuitkering op kosten van de eigenrisicodrager over.

Verruiming ziekteaangiftetermijn

Vanwege de beperktere rol van het UWV in de eerste fase van het ziekteproces, wil het kabinet voor eigenrisicodragers de termijn voor het doen van de ziekteaangifte verruimen naar zes weken vanaf de datum dat het dienstverband wordt beëindigd. Op 28 november 2017 is dit wetsvoorstel aangenomen. 

Let op! Bij nawerking valt de eerste ziektedag van de voormalig werknemer binnen vier weken nadat het dienstverband is beëindigd. De aangiftetermijn van zes weken begint dan te lopen vanaf de eerste ziektedag.

De verruimde ziekteaangiftetermijn geeft u ook de mogelijkheid om de ziekte en het herstel tegelijkertijd te melden, als het herstel binnen zes weken plaatsvindt. Een herstelmelding mag echter niet eerder worden gedaan dan de ziekmelding. Worden de ziekteaangifte en het herstel apart gemeld, dan geldt voor de herstelmelding een termijn van twee dagen nadat de (ex-)werknemer zich bij u beter heeft gemeld.

5.11 WBSO-vereenvoudiging voor werkgevers op komst

In de Belastingplannen voor 2018 is een vereenvoudiging opgenomen voor de WBSO. Als innovatieve werkgever kunt u in 2019 eenvoudiger de gerealiseerde S&O-uren en gemaakte kosten en uitgaven doorgeven aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). 

Verplichte mededeling

De voorgestelde vereenvoudiging is een administratieve lastenverlichting. Wanneer u gebruik heeft gemaakt van de WBSO (Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk), moet u binnen drie kalendermaanden na afloop van het aanvraagjaar de gerealiseerde uren aan speur- en ontwikkelingswerk (S&O-uren) en de gerealiseerde kosten en uitgaven (als u heeft gekozen voor ‘werkelijke kosten en uitgaven’) doorgeven aan RVO.nl. Deze verplichte WBSO-mededeling moet nu nog per afgegeven S&O-verklaring, maar dat gaat veranderen. De mededeling kan straks voor alle in een kalenderjaar afgegeven S&O-verklaringen gezamenlijk. 

Voor de in 2017 ontvangen S&O-verklaringen blijft de verplichte mededeling nog zoals die nu is. U moet dus vóór 1 april 2018 de gemaakte uren (en eventuele kosten en uitgaven) doorgeven per S&O-verklaring.

Let op! Bent u zelfstandig ondernemer, dan hoeft u alleen een mededeling te doen als u in een jaar minder dan 500 S&O-uren heeft gerealiseerd.

Wilt u meer weten over onderwerp loon- en premieheffingen, neem dan gerust contact op met onze specialist Roeland van Esveld.